Egyptologie

Egyptische begrippen in een notedop

Het onderwerp 'de oude Egyptische godsdienst' is waarschijnlijk even oud als de Egyptische beschaving zelf, maar tegelijkertijd is het eerder een nieuw wetenschappelijk domein. Tegenwoordig worden nieuwe ontdekkingen, en heel veel onderzoek op dit vlak, gedaan.
De oude Egyptische godsdienst is een godsdienst bedacht en gemaakt door mensen zelf. Ze heeft filosofische en morele dimensies, die zeker kunnen vergeleken worden met onze moderne maatstaven, maar het aspect van geloof en aanbidding is totaal verschillend van onze huidige benadering met ťťn enkele God.

Het Egyptische begrip van leven en dood

De oude Egyptenaren hadden de scherpe en onbespreekbare grens tussen leven en dood niet zoals wij ze nu kennen. Ze waren ervan overtuigd dat het leven samengesteld was uit 7 elementen, zowel fysische als geestelijke. Wanneer deze elementen samen aanwezig zijn, is het leven gerealiseerd. Wanneer ze van elkaar gescheiden zijn, begint een ander stadium van leven totdat het gepaste moment gekomen is dat ze weer samen zijn. Dit is dan de opstanding. (Dit is duidelijk een totaal ander verhaal dan de reÔncarnatie.)

Deze 7 verschillende elementen van het leven zijn :

1.Het lichaam (ghŤt)

Het lichaam is het gedeelte dat ons de inpressie van leven geeft terwijl de andere 6 delen erin reageren om het leven te laten gebeuren. Wanneer het leven in het lichaam sterft, betekent het dat de andere delen gescheiden worden.
Toch komen deze delen weer samen en krijgen ze na het laatste oordeel opnieuw een levendig beeld in de andere wereld. Daarom was het noodzakelijk het lichaam te mumifiŽren om het in een goede staat te bewaren. Mumificatie was dus een godsdienstige gebeurtenis.

2. De schaduw (shou)

Wie geen schaduw heeft bestaat niet en we zien dat dit dus sterk verband houdt met het lichaam.

3. De naam (ren)

Dit is een belangrijk element, want voor de Egyptenaren was de naam het woord, en het goede woord (zoals bv. de zegeningen) was altijd gewild. Men hield niet van slechte woorden (zoals bv. vloeken). De kennis van de naam, van iets of iemand, gaf de persoon, die deze kennis bezat, een grote beheersing over deze zaak of deze persoon. In hun geloof creŽerde de god Thoth de dingen door hen gewoonweg bij hun naam te noemen.
Wanneer iemands naam weggekrast werd uit zijn graf, was dit een vreselijke straf voor de persoon in kwestie.

4. Het hart (ieb)

Dit was het element dat we nu "geweten" noemen.

5. De Ka

We kunnen dit het onzichtbare deel van de menselijke combinatie noemen, die gelijk is aan het lichaam, omdat het voorgesteld werd door een menselijk lichaam dat het Ka-teken draagt en dat tegelijkertijd gecreŽerd werd. Het begrip van dit deel van het leven kan niet zo precies en duidelijk uitgelegd worden als in de farao's tijd. Vele verschillende recente zaken kunnen aan de Ka gelijk zijn: het geluk en zelfs het statussymbool.
Wat we zeker weten van de Ka is dat ze niet stierf en dat ze altijd na de dood in het graf was. Zij was in feite het levende gedeelte van de dode persoon of de verlenging van iemands leven na de dood. Het graf werd als haar huis beschouwd en er werd aan haar geofferd zodat ze normaal verder kon leven in het graf.

De Ka

6. De ba

Staat voor ons gelijk aan de ziel. Ze ging naar de andere wereld en kwam terug om tussen familieleden en vrienden te zwerven. Hierbij kon ze verschillende vormen aannemen. Ze werd in hiŽrogliefen voorgesteld als een vogel met het hoofd van de overledene.

De Ba

7. De Aach

Dit was het verlichte deel van de ziel, ook voorgesteld door een vogel. In de Koptische taal werd het begrip Aach een geest die mij persoonlijk de indruk geeft dat het hier over het slechte deel van de menselijke ziel ging.

HET LEVEN

De oude Egyptenaren geloofden erin dat de dood een fenomeen was dat naar het leven leidde, nadat men het gerechtigheidsoordeel in de tegenwoordigheid van de god van de andere wereld, Osiris, doorstaan had. Zowel de lange en moeilijke reis naar het andere leven, als het oordeel zelf, gingen gepaard met magie, of de "Heka", die magische kracht betekende. Hiermee worden daden bedoeld die buiten de menselijke macht staan.
Ter verduidelijking : elke godsdienstige daad werd als magie beschouwd.
Zelfs het woord 'godsdienst' bestond niet in hun woordenschat. Het woord 'Heka' werd gebruikt voor het woord 'godsdienst' zoals wij het nu kennen. Magie was niet enkel een macht van God want ook magiŽrs beheersten de magie. Wanneer een magiŽr een grotere kennis bezat dan een bepaalde god, dan hoorde deze god zijn orders te volgen. In feite zijn de godsdienstige boeken die in de graven gevonden werden, de onderwereld/dodenboeken, magische formules. Hun doel bestond erin de doden te helpen.

DE DOOD & EEUWIGHEID

Dit brengt ons tot de betekenis van een ander woord, namelijk : eeuwigheid. Niettegenstaande hun diep geloof in de eeuwigheid hadden de oude Egyptenaren er geen woord voor. Het woord 'leven' werd gebruikt om zowel het leven vůůr als nŠ de dood te beschrijven. De oude Egyptenaar was ervan overtuigd dat de levende precies gelijk was als aan de dode, met dit verschil dat de eerste in een huis en de tweede in een graf woonde, dat werkelijk als zijn huis beschouwd werd. Zelfs God werd als een levend wezen beschouwd die in zijn huis, de tempel, een normaal dagelijks leven leidde, precies zoals de menselijke wezens.
Men mag dus besluiten dat de levenden, de doden en de god 3 types van hetzelfde humane ras waren, met dezelfde gewoonten, verlangens en materiŽle behoeften.

Tempelrituelen

De aanbidding van de goden was een dagelijks gebeuren in de tempels.
We merken op dat ťťn van de belangrijkste rituelen in hun godsdienst het dagelijks aanbieden van een maaltijd aan hun god was. Dit leek heel veel op de manier waarop een gewone Egyptenaar een maaltijd nuttigde in zijn huis. Het begon met het wassen van mond en handen, de zuivering dus, waarbij verschillende (etherische) oliŽn en handdoeken aangeboden werden. Daarna werden verscheidene offers met eten aangeboden. Daarop volgde het besprenkelen van water, dat lijkt op het wassen van mond en handen na de maaltijd.

We merken ook dat er en gelijkenis is tussen de ontwikkeling van de piramide en de opbouw van een gewoon huis. In het begin was een graf een eenvoudig gat, dat overeenkomt met een hut/huisje van ťťn verdieping of een gewoon huis. Na verloop van tijd werd dit een put met een bovenverdieping, welke overeenkomt met de bovenverdieping van een gewoon huis.

De rituelen van het openen van de mond werden uitgevoerd op het beeld van de dode dat in het graf stond. In feite werden niet alleen de mond maar ook de ogen en andere zintuigen geopend om aan het beeld de bekwaamheden van de levende te geven. Zo kon hij een normaal leven verderzetten na zijn dood. (Daarnaast was het beeld ook een rust- en verblijfplaats voor de Ka).

De Egyptenaren geloofden diep in deze overtuigingen, maar zonder de hulp van de priesters konden ze niets realiseren. Dit begon reeds bij het mummificiŽren van het dode lichaam. Daarna bij de magische boeken tijdens hun reis naar het land van Osiris. Dan bij het oordeel vůůr 42 goden en ook bij het betreden van het land van de goden.

Rituelen

De koning en de priesters in het oude Egypte.

De hiŽrarchie van de Egyptenaren is ongetwijfeld de oudste ter de wereld. Het systeem was opgebouwd als een piramide met bovenaan de koning.
Voor de oude Egyptenaren betekende de koning het leven. Hij was niet alleen de levende voorstelling van de god Horus op aarde, de laatste god die op aarde woonde, maar ook de enige die in naam van alle menselijke wezens tot god kon bidden. In hun dagelijks leven was de aanwezigheid van de koning even belangrijk als het leven zelf. Zonder koning was er volgens hen geen zonsopgang, konden de gewassen op de velden niet groeien, konden vrouwen niet vruchtbaar zijn, kon zelfs het water van de Nijl niet meer stromen. Kortom zonder koning had hun leven geen betekenis.

De graven van de doden waren ook een geschenk van de koning aan zijn volk. Deze machtige koning stond aan de top van de hiŽrarchie in Egypte. De hogepriester was de man die in belangrijkheid juist onder de koning stond. In de meeste gevallen deed hij het werk van de koning in de tempels. Hij droeg de titel 'de grootste onder de zieners in de tempels van Ka' en 'de grootste van de directeuren van de beroepen in de tempels van Ptah'. Om de zaken in de tempel te regelen werd hij bijgestaan door een comitť dat verscheidene namen droeg: 'de grote dienaar van God' , 'de aankondiger' , 'de meester der geheimen' , 'de conservator van de lobby' , 'de meester van de grote hal' , 'de dienaar van het schrijn' en de 'reciterende priester'.

De priesters zelf waren onderverdeeld in groepen. Eerst de dienaren van God, dan de vaders van God, daarna de gezuiverden en als laatste de simpriesters (de laagste in graad).
Daarnaast had men ook nog lekenpriesters die in ploegen in de tempel dienden.
Elke groep voor een maand. Er waren 4 of misschien meer groepen. De professionele priesters gingen gekleed in wit linnen. Ze schoren het haar van hun lichaam. Ze waren ongetwijfeld de elite van het Egyptische volk. Dit geeft ons een goed beeld van de grote invloed die de priesters hadden.
In het Oude Rijk en het Middenrijk werden ze aangesteld door de koning. Later, in het Nieuwe Rijk, erfde men het beroep. Op een bepaald moment werd de macht van de priesters groter dan die van de koning zelf en uiteindelijk werden zij de koningen van de 21ste dynastie.

Naast het aanvaarden dat de koning een levende voorstelling was van de god Horus, aanvaardde de oude Egyptenaar ook het idee dat de koning (of de hogepriester) in zijn plaats tot de goden bad en dat hij zich moest bekommeren om de morele kant van de godsdienst. Hieromtrent vonden we heel wat bewijzen. De belangrijkste zijn natuurlijk wat we de negatieve bekentenissen/biechten noemen. Deze vinden we in een hoofdstuk van het Dodenboek. In aanwezigheid van de goden ontkent de overledene steevast dat hij iets deed dat hen kwaad kon maken. Dit geeft ons een duidelijk beeld van wat een Egyptenaar moest doen om moreel godsdienstig beschouwd te worden.

Eigenlijk is dit begrip niet zo verschillend van wat wij actueel geloven. Een mooi voorbeeld van deze negatieve betekenissen vinden we samengevat in de papyrus Ani (hoofdstuk 125 van het Dodenboek).
Ani noemt de naam van alle 42 goden en ontkent dat hij dingen deed die zij niet graag hadden, hij deed geen zonde, hij stal niet, hij doodde niet, hij verduisterde geen offers, hij loog niet, hij deed niemand pijn, pleegde geen overspel, bedroog niet, lasterde niet, flirtte niet met de vrouw van een ander, veroorzaakte geen angst of verdriet, was niet arrogant, speculeerde niet, vervloekte nooit de koning noch de goden, vervuilde het water niet, veroorzaakte geen schade aan geploegd of bewerkt land, ontheiligde of stal geen offers van de doden of goden, onthield de zuigelingen/kleine kinderen niet van eten.
Dit alles toont ons duidelijk aan hoe een goede Egyptenaar zich behoorde te gedragen.

De aanbidding van de goden was een zaak voor de priesters. Er waren twee soorten diensten in de tempel: de dagelijkse dienst en het dienen van het godenbeeld, wat de verering was in de Egyptische godsdienst. Alleen de koning kon deze verering uitvoeren, hij alleen had het recht het heilige schrijn te betreden. Omdat het niet mogelijk was elke morgen de god in elke tempel zijn maaltijd te bezorgen, stelde de koning in elke tempel de hogepriester aan om in zijn plaats de verering te verzorgen.
Elke morgen startte het ritueel bij zonsopgang. De bel rinkelde, de priesters ontwaakten, maakten vuur om verschillende soorten brood klaar te maken en slachtten de dieren die nodig waren voor de offers. Alle priesters moesten zich in het Heilig Meer wassen. De offerdragers betraden de offerhal van de tempel, begeleid door het koor. De priesters besprenkelden de offers met gewijd water en bewierookten ze. De koning begon de eredienst met de zuivering in een speciale kamer, 'het ochtendhuis' , met natron, wierook en water. Daarna begaf hij zich onder het gezang van het koor naar het heilig schrijn, gevolgd door 2 rijen priesters volgens graad van belangrijkheid, terwijl hij bewierookt werd.

Uiteindelijk naderde de koning alleen de deur van het heilig schrijn met brandende wierook in zijn linkerhand en een vat gewijd water in zijn rechterhand en hij klopte op de deur van de kamer. Nadat hij van de goden toelating gekregen had om binnen te gaan, trok hij al biddend aan het deurslot, opende de deur en sloot ze achter hem. Nadien deed hij een toorts branden, gebruikte opnieuw wierook en brak de met klei verzegelde deur van het beeld van de Naos open. Toen hij het beeld zag, kuste hij de vloer. Hij knielde neer, gebruikte wierook, betrad de Naos en raakte het beeld van de god aan. Wanneer hij het beeld in zijn armen nam, kwam het terug tot leven. Vanaf dit ogenblik behandelde hij het beeld als een levend wezen, zuiverde het, wreef het in met geparfumeerde olie en bood het eten en drinken aan. Hij liet het beeld voor hem op de offertafel staan tot dat het voldaan was (de god at natuurlijk de materie zelf niet op). Dan bood hij een beeldje van de godin Mašt aan, godin van de waarheid. De Naos werd schoongemaakt, de deur werd verzegeld, zand werd op de vloer gestrooid en de kamer werd opnieuw met water gezuiverd. Alleen de koning of de hogepriester mocht het beeld van de god zien en als iemand anders dit zag, was de onmiddellijke dood zijn straf.

De Godenwereld van de oude Egyptenaren

Seth

Volgens de eerste theorie van 'Ashmoenijien' bestond het niet-bestaande alleen in het begin. Dit niet-bestaande bestond uit 2 zaken: een element en een kracht.
Het element was het eeuwige water en de kracht werd god 'Noun' genoemd, die ze voorstelden als de oude en de eerste eeuwige substantie/materie.

Deze eeuwigheid wordt voorgesteld door 4 kenmerken. Elk kenmerk is een koppel, met een mannelijk en vrouwelijk karakter.

  1. de grote diepte, voorgesteld door de god Noun en de godin Nounette
  2. de oneindigheid, voorgesteld door de god Houh en de godin Houhette
  3. het complete, volledige donker, voorgesteld door de god Kouk en de godin Koukette
  4. de onzichtbaarheid, voorgesteld door de god Amoun en de godin Amounette
Door het huwelijk van de 2 groepen goden werd de rest van de goden en dus ook de rest van de wereld geschapen. Deze theorie werd voorheen met de theorie van de stad Heliopolis vermengd. In deze stad in Egypte vinden we verder ontwikkelde verklaringen over het ontstaan van de wereld.
Volgens de theorie van de stad Heliopolis heeft de god Atoum zichzelf geschapen. Hij begon zijn eeuwige voorstelling bovenaan de eeuwige heuvel, deze was het eerste land nadat het water zich teruggetrokken had.
Dan ademde de god Atoum door zijn neus de Shou uit, god van de lucht, en hij spuwde godin Tefnout uit, godin van de vochtigheid. De goden Shou en Tefnout trouwden, kregen samen de god Geb (god van de aarde) en de godin Nouth (godin van de hemel). Uit een gewone geboorte kregen de laatste twee goden twee zonen en twee dochters, de godin Isis en haar zus Neftis en hun broers Seth en Osiris. In deze kosmogonische theorie wordt de god Atoum als de oudste beschouwd, de eeuwige, de enige, de unieke, die door zichzelf ontstond. Toch kunnen we hier niet besluiten of de god Noun (het eeuwige water) vůůr of na de god Atoum kwam. Ook stellen we ons de vraag wanneer de god Shou ontstond.
In dit geval moeten we de tekst (stathent) van de oude Egyptenaren aanvaarden zoals hij is (de god Atoum bestond tezelfdertijd als de god Noun. Toen de god Atoum ontstond, werd ook de god Shou geschapen, die samen met de godin Tefnut een drievuldigheid vormde, uit identieke materie maar met 3 verschillende vormen).
De derde theorie ontstond in Memphis op het moment dat deze stad op politiek vlak sterker werd. Natuurlijk is het de god Ptah, de god van deze stad, die volgens deze theorie de belangrijkste rol speelt in plaats van de god Atoum.
De god Ptah bevatte alle andere goden. De functies van de verschillende delen van het lichaam werden prachtig benut om deze theorie te verduidelijken.

De volgende tekst drukt de theorie van Memphis uit:

'De schepping ontstond oorspronkelijk bij het hart en de tong. Samen vormden zij de god Atoum. Maar de god Ptah, de grootste, gaf de rest van de goden en hun Ka's een levensstroom met zijn hart en tong. Allen werden verenigd in de god Horus en de god Toth die de god Ptah zelf waren'

De god Atoum is dus de substantie van het hart en de longen van de god Ptah was. De god Horus stelde het hart voor, de god Toth de tong. Hart en tong samen stelden de persoon zelf voor, de god Pta de wereld door de namen van de dingen te noemen, want het heilig woord kwam uit zijn hart en werd door zijn tong uitgesproken.

De Egyptische theologie bestaat uit twee pijlers :

  1. ťťnzelfde iets wordt door veel goden uitgedrukt ! De Egyptenaren hadden ťťn god voor het wezenlijke van iets en tegelijkertijd verschillende goden die dit uitbeelden. Een duidenlijk voorbeeld hiervan is de zon. De zonneschijn was de god Ha, maar het wezenlijke of de macht achter de zon was de god Atoum. De zonnestralen konden 3 verschillende goden zijn. 's Morgens waren ze de god Khebry en 's middags, als ze heet en sterk waren, de godin Sechmet. In de late namiddag de god Atoum.
    Een ander woord bijvoorbeeld is de god Ra die altijd 3 goden naast zich had, zijnde : de god Seeya, de god Hou en de god Hekaa. Deze 3 goden stelden de intelligentie en kennis, de bekwaamheid tot schepping en de magische kracht in de god Ra zelf voor.
  2. Egyptische goden zijn zoals mensen en hebben een normaal leven. Ze waren getrouwd en hadden een kind. Het is dus niet verwonderlijk dat er meerdere heilige drievuldigheden zijn. De belangrijkste waren: de god Osiris, de godin Isis en hun zoon Horus; de god Path, de godin Sechmet en hun zoon Nefertom in Memphis; de god Horus, de godin Hator en hun zoon Horussamaratawi in Edfu; opnieuw de god Horus, de godin Hathor en hun zoon Ihy, maar nu in Dendera de god Ghoenoum en de godin Sattet met hun dochter Anoukhit. Ook mogen we de god Amoun, zijn vrouw Moet en hun zoon Khoenso in Luxor niet te vergeten.
    Zelfs in Kom Ombo vinden we 2 koppels die bijna in dezelfde tempel verblijven: de god Sobek en de godin Hathor met hun zoon Khoenso.
De Dierencultus

Aanbaden of verheerlijkten de oude Egyptenaren werkelijk dieren ?

Het antwoord is: neen ! en dit om onderstaande redenen :

  1. de Egyptenaren symboliseerden bepaalde eigenschappen van goden in een bepaald dier, dat ze dan aanbaden.
  2. er was een duidelijk onderscheid tussen een god en zijn symbool als dier. Als gevolg hiervan aanbaden ze niet het ganse ras, maar ťťn enkel dier als symbool. De andere dieren werden als normaal behandeld.
  3. de dieren werden in een tempel nooit bezocht als levende symbolen, omdat ze helemaal geen voorwerp van aanbidding waren.
  4. geleidelijk aan speelden dieren als symbool een minder belangrijke rol tot ze uiteindelijk als een menselijke voorstelling met een klein symbool (masker) overbleven.
  5. het was eerder zeldzaam dat de Egyptenaren een god als dier, aanbaden. Bijvoorbeeld de havik die de god Horus voorstelde werd Biek genoemd. De krokodil die de god Sobek voorstelde werd Messah genoemd. De ram die de god Amoun voorstelde was Baa. De jakhals die de god Anubis voorstelde was Ebnoo. Zelfs de beroemde koe Eicha was het symbool van de godin Hathor.
Achnaton, de ketterkoning

Achnaton

Achnaton, de 10de farao van de 18de dynastie verdiende, volgens de toen geldende normen, geen leven in de andere wereld. Hij is een ketter, een bedrieger en het is een feit dat zijn mummie tot op heden nog niet gevonden werd. Hij betwistte immers tradities die reeds duizenden jaren bestonden. Hij tartte de grootste god van zijn tijd, de god Amon-Ra door de god Aton te verkiezen. Voor het eerst beschouwde hij hem als de officiŽle staatsgod en overschreed daarmee alle limieten door de god Amon uit alle officiŽle godenlijsten te schrappen. Achnaton werd voor dit alles gestraft. Zijn geschiedenis werd uitgewist door allen die hem opvolgden en natuurlijk allen die tegen hem waren.
Wanneer we hem nu, zoals de huidige egyptologen, bestuderen, zien we dat de meningen scherp verdeeld zijn. Voor sommigen is hij een homo, voor anderen een profeet. Daarom volgende beschouwingen :

  1. zijn rol in de Egyptische geschiedenis en de godsdienst in zijn tijd kan men niet scheiden. De ontwikkeling en de veranderingen van de Egyptische gemeenschap, de koninklijke familie van Achnaton en zijn beweging was een natuurlijke ontwikkeling van gebeurtenissen.
  2. Achnaton werd fysisch en mentaal voorbereid om hoogstens een groot filosoof of een fantastisch kunstenaar te worden. Hij was helemaal niet de man die het staatshoofd kon zijn in een periode waarin twisten en veranderingen een dramatisch hoogtepunt bereikten. Deze man is geen unicum in de geschiedenis. Nero in de Romeinse geschiedenis en El-Hakim-Be-Amr-Elah in de Islamitische-Egyptische geschiedenis zijn twee gelijkaardige raadselachtige voorbeelden.
  3. Volgens mij werd Achnaton gestraft omdat hij, zoals gelijk wie in de geschiedenis of zelfs in het gewone leven, naar de 'absolute waarheid' zocht.
  4. het afzonderlijk bestuderen van de godsdienst, de politieke macht en het priesterschap is nutteloos omdat ze niet te scheiden zijn.
  5. een andere grote fout is spreken over de revolutie van Achnaton, toen het hoofd van de politieke macht, tegen de priesters van Amon-Ra zonder te vermelden dat deze priesters toen ongeveer 12% van het Egyptische inkomen controleerden.
  6. In de eerste 6 jaar verkoos Achnaton enkel Aton boven Amon-Ra. Dit betekent niet dat hij in monotheÔsme geloofde, want hij geloofde in de god Ra-Horachti en de god Osiris en zijn familie. Daar dit een levensprincipe van hem was, geloofde hij ook in de godin Mašt, de godin van waarheid en gerechtigheid.
  7. De strijd tussen Achnaton en de priesters van Amon-Ra dwongen hem van hoofdstad te veranderen en de naam van de god Amon-Ra uit te wissen. Zijn idee was om uiteindelijk de priesters van Amon-Ra in diskrediet te brengen door zichzelf als enige priester uit te roepen die tot de god Aton kon bidden. Daardoor werden de priesters verplicht zich tot Achnaton te wenden en blijkt dat hij meer de Amon-priesters viseerde dan hun god, Amon-Ra zelf.
  8. Niemand kan de fantastische kunst ontkennen die de Egyptische geschiedenis en mensheid kende ten tijde van deze veelbesproken farao.
Achnaton


De kenmerken van de kunst ten tijde van Achnaton

Absolute waarheid was het principe van Achnaton. Dit had een grote impact op de artiesten van zijn tijd. Waarschijnlijk werden ze zelfs aangemoedigd om te revolteren tegen de traditionele kunst. Dit merken we op voor en na deze extravagantieartistieke periode van Achnaton, waarnaar we verwijzen naar de AMARNA-kunst.

Onderstaand enkele verduidelijkingen voor deze periode :

  1. Realisme : de artiest probeerde de werkelijkheid weer te geven. Hierbij ging hij zelf tot het uiterste wanneer het om gebreken van het menselijk lichaam ging. We mogen dit zelfs beschouwen als een vroege vorm van karikatuur. Het mooiste voorbeeld hiervan zijn de beelden van Achnaton zelf.
  2. Relaxatie : in de schilder- en beeldhouwkunst vond men meer ontspannen houdingen zoals het leunen op een kussen, verschillende posities van de armen, voorwaarts leunen bij het zitten.
  3. Mannen en vrouwen werden in dezelfde grootte voorgesteld. Kinderen zaten op de schoot of op de arm van vaders en moeders. Dit is een evolutie wanneer men vergelijkt met de traditionele kunst, waar kinderen tussen of naast de benen van hun ouders geplaatst werden.
  4. Ook gevoelens tussen de leden van eenzelfde familieleden uitgedrukt. Achnaton kust zijn dochter terwijl hij haar in zijn armen neemt en leunt voorover om met zijn kind te spelen met een halssnoer in zijn hand, zoals wij nu zouden doen met een sleutelhanger. Nefertiti kust haar dochter op de lippen, de dochter trekt haar moeders kin naar zich toe om aandacht te trekken, zoals we dit in werkelijkheid ook zien. Wanneer we over Achnaton discussiŽren, mogen we ťťn zaak niet vergeten: deze man hield zeer veel van zijn dochters.
  5. Er werd gerevolteerd tegen de basisregels van de traditionele kunst, zoals bij het schilderen van sommige gezichten in voorzicht en sommige schouders in profiel, of het benadrukken van rechter- en linkervoet.
  6. Veel zorg werd besteed aan het detail zoals de vorm van de pruik, de bloemen in het haar van de vrouwen, hun accessoires zoals halssnoeren, ringen en armbanden, details in de jurken, enz. Zelfs aan de sandalen van de mannen werd zorg besteed.
  7. De kunst werd gevoelig zoals in de bekende schilderij van de rouwende vrouwen. Het was de eerste keer dat emoties, hier droefheid, het thema waren. Wanneer men dit schilderij aandachtig bekijkt, vindt men geen wenend gezicht, gesloten ogen en geopende monden, maar zwijgende gezichten de diepe droefheid uitdrukken, met tranen in de ogen, zeker niet in tegenstelling met het openen van de mond en het sluiten van de ogen in de godsdienst.
  8. Het bas-reliŽf was de meest courante schildervorm van deze periode. Het schilderniveau was iets onder het niveau van de muur en men vertrouwde op de zonnestralen in de buitenlijnen te verscherpen en het schilderwerk te accentueren. Misschien was dit ťťn van de effecten van de zonnecultus.
  9. Een dramatische verandering werd de bouw van de tempel, nu zonder dak in de zonneschijn. Dit staat in totaal contrast met de traditionele tempel waar men van volle zonneschijn naar complete duisternis gaat voor de heiligste plaatsen.
  10. Nog een duidelijk effect van de godsdienst in de kust van de Amarna periode is de afwezigheid van godenbeelden. Dit gebeurde geleidelijk. Uiteindelijk had men nog een zon met zonnestralen die aan het einde handen waren die het Anch-teken vasthielden.
Materialen en werktuigen om te schilderen :

  1. Kleur op een palet.
  2. Benodigdheden om de kleur van het palet op het te beschilderen oppervlak aan te brengen.
  3. Het klaargemaakte oppervlak om op te schilderen.
De zwarte kleur werd van roet gemaakt dat achterbleef op de muren van een plaats waar iets verbrand werd. De rode kleur werd van rode oker (rode klei) of natuurlijke ijzeroxide gemaakt. Om de kleuren te fixeren, gebruikte men natuurlijke gom, opgelost in water en toegevoegd bij de kleur of de inkt.
Men begon met het poeder in water op te lossen, waarbij men het fixeermiddel voegde. Men liet deze menging in de vorm van tabletten opdrogen. Daarna werd alles op het palet van de kunstenaar aangebracht.
Ze maakten hun borstel van biezen. Deze plant werd in de vorm van de lange penselen gesneden. De rand werd scherp gemaakt door hem diagonaal te snijden en er dan met een klein hamertje op te kloppen om hem zacht te maken of er zelfs op te kauwen. Diezelfde borstel werd gebruikt om zowel dikke als dunne lijnen te trekken door hem op zijn zijkant te draaien. Het was dus een efficiŽnter borstel dan wat men nu heeft. De borstel werd natgemaakt op de tabletten van het palet gebracht. Dan begon men het oppervlak te schilderen zoals nu ongeveer. Men schilderde op papyrus, ostraca en stukken kalksteen met ťťn genivelleerde zijde, of stukken van gebroken potten, grote beenderen, ivoor, klei, plasticine, leder, metalen oppervlakken, hout of hout bedekt met een laag gips gemengd met gom, gesso of zelfs stukken stof.

Bes